Vijand in de verte.

Wat mij van de reis in Marokko is bijgebleven zijn de mensen die langdurig voor zich uit staarden. Zo af en toe zaten midden in de Sahara woestijn een paar mannen in kleermakerszit bij elkaar terwijl ze zich op een punt in de verte fixeerden. Ze rookten geen waterpijp, voerden geen gesprekken, dronken geen koffie, maar zaten daar maar, samen naar een eindeloze oase van niks te kijken. Gelaten. ‘Waar kijken ze toch naar?’ vroeg mijn reisgenoot.
Het was toen 2009. Er was nog geen Arabische Lente geweest. Gaddafi leefde nog. Het Tahrirplein stond nog niet in brand. Er bestond alleen een uitgestrekte vlakte van goudgeel woestijnzand waar de zon hoog boven brandde.
Blijkbaar maakt niets zo kalm als een revolutie in het vooruitzicht.
In de buurt waar ik woon, de Baarsjes in Amsterdam-West, word ik altijd ingehaald door Marokkanen die met zijn tweeën op zo’n scootertje rijden. Ze zijn daar behoorlijk behendig in en cirkelen als evenwichtige balletdansers tussen de fietsers door, doelloos rondjes rijdend, met een oortje van hun mobiel in om contact te blijven houden met andere vrienden op scooters, ergens anders in de stad.
Niets maakt zo haastig als de leegte in het vooruitzicht.
In een recensie over het boek Het Civilicatieproces van Norbert Elias schreef de Volkskrant: ‘De conflicten die de ‘onbeschaafde’ mens met de altijd bedreigende buitenwereld uitvocht, vecht de beschaafde mens in toenemende mate uit met zichzelf.’
Vermindert met onze beschaving de directe angst die we voor elkáár hebben? Fixeren we daarom onze blik niet langer op een punt in de verte? Kijken we naar binnen om een innerlijke angst uit te vechten?
In Amsterdam zie ik bijna nooit iemand die zomaar een beetje voor zich uit zit te kijken, op dezelfde gelaten manier als de mannen in de woestijn. Een enkele keer zie ik de krantenjongen tegen een muurtje geleund staan, zijn gewatteerde lakjas met bontkraag warm om zich heen terwijl hij langzame halen van zijn sigaret neemt. Maar dan drukt hij zijn sigaret uit, moet hij er weer met zijn scootertje vandoor om pizza’s bij onbekende mensen te bezorgen. We kijken elkaar hier nooit aan als we de ander passeren, onze ogen neergeslagen, druk in de weer met onze innerlijke angsten en onze gedachten die als een elektronenstraal op een radar vanuit het midden naar de rand van het scherm wordt bewogen. Steeds weer opnieuw. Ergens moeten we verlangen naar een vijand in de verte.

Gepubliceerd in: De God van Nederland

Reageer    Deel

Boven water.

Nadat ik een tijdje met de wetenschapper over dolfijnen had staan praten, liep ik verder de trap op van de stadsschouwburg, tot aan het Ajaxterras. Het was ijskoud en donker buiten. Overal stonden groepjes mensen dicht op elkaar; dichters, oude mannen, thrillerschrijfsters, uitgevers, zakenlui, critici. Tussen al die mensen vond ik mijn redacteur terug en we gingen zitten op de enige twee houten stoeltjes, vlak bij de ingang. Hij gaf me het jasje van zijn pak en legde het over mijn blote schouders. We staarden wat voor ons uit en ouwehoerden zoals altijd over boeken en films. Af en toe zag je een man of een vrouw iemand omhelzen, met hun arm om de nek van de ander en zo, of een stel van die wazige schrijverstypes met hun vrienden die allemaal op zo’n overdreven manier stonden te schreeuwen over iets waarvan je wist dat het totaal niemand interesseerde. Schrijvers zeggen nooit wat zinnigs – als het een beetje interessant wordt schrijven ze het liever op. Ik had zin om mijn hoge hakken uit te trekken en op mijn blote voeten over die koude tegels te lopen, tussen de glasscherven door. Vanuit de verte hoorde ik de stadsgeluiden, de trams die af en aan reden, het getoeter van de rij taxi’s voor de bioscoop. De schrijvers hoorde je overal bovenuit, uitgelaten dat ze eindelijk weer eens naar buiten mochten. Boven het terras hingen felle lampen zodat de mensen beneden op het Leidseplein ons goed konden zien. Ik dacht terug aan mijn gesprek met de wetenschapper. Hij had schrijvers met walvissen vergeleken, omdat ze vaak voor lange tijd onder water blijven, en alleen komen bovendrijven als het echt moet, tijdens een presentatie of een boekenfeestje. De meeste mensen zijn dolfijnen, zei hij, die springen continu boven het water uit. Ik gaf mijn redacteur zijn jasje terug en stond op. Terwijl we weer naar binnen liepen graaide ik wat drankmuntjes uit mijn tas, want ik had er nog zestien over van vorig jaar.

Reageer    Deel

De kern van de dingen.

Elke maand recenseer ik een boekverfilming voor Cineville. Deze keer Tinker, Tailor, Soldier, Spy naar de roman van John Le Carré.

Het is vreemd wanneer je op de helft van een roman begint te verlangen naar de verfilming. Immers, een film ordent de beelden dusdanig keurig dat de aanspraak op de eigen fantasie tot het minimum wordt beperkt. Waarom daarnaar verlangen? Maar na het zien van de boekverfilming Tinker, Tailor, Soldier, Spy blijkt het tegenovergestelde waar te zijn: juist die inperking maakt het verhaal niet alleen compacter – en daarmee overzichtelijker – maar laat ook zeker genoeg ruimte over aan de fantasie.

Tinker, Tailor, Soldier, Spy is de complexe spionagethriller van John Le Carré over de ontdekking van een dubbelspion in het hoogste kader bij de Britse inlichtingendienst, de M16. Het verhaal speelt zich af in de jaren zeventig, tegen de achtergrond van de Koude Oorlog waarin continue verdachtmaking, paranoia en misleidingen de verhoudingen op scherp zetten. Als een spionageklus in Boedapest misloopt, krijgt spion Georg Smiley de opdracht om te achterhalen wie de mol is die zich in ‘The Circus’ (de codenaam van de M16) schuil houdt.

Lees verder.

Reageer    Deel

Tjielp / @MerelMilou

@MerelMilou: En nu traditioneel met vriendlief op de bank, schansspringen kijken.

Voor haar ziekte keek mijn moeder het liefst naar skischansspringen op nieuwjaarsdag. Net als mijn vriend die nu op haar plek zat en een oliebol met poedersuiker at. ‘Hij maakt niet genoeg snelheid,’ zei mijn vriend. ‘Hij moet meer snelheid maken.’ Ik keek naar de skischansspringer die met een kaarsrechte rug door de lucht zweefde, starend naar de diepte onder hem, de ski’s in V-vorm voor hem uit, zijn armen strak langs zijn lichaam. Volgens mijn vriend is de beste aerodynamische houding door ontspannen voorover te buigen over je ski’s. Hij ging bovenop de bank staan en deed het voor. Met een kaarsrechte rug boog hij zich voorover en hield zijn armen strak langs zijn lichaam, starend naar het hoogpolige vloerkleed onder hem. ‘Je mond staat gespannen,’ zei ik. Mijn moeder hield de beste afstanden bij, voor het overzicht, die ze onder elkaar opschreef in een schrift. Ze hield ook van de glimmende pakken van de skischansspringers. Ze zei dat die pakken niks aan de verbeelding overlieten. Ik vroeg me af of ze in het ziekenhuis ook naar het skischansspringen keek en of ze haar schrift wel bij zich had. Op televisie zat de volgende alweer klaar op het bankje. Hij zette zijn skibril recht op zijn neus en concentreerde zich op een punt in de verte. Zijn pak was rood met blauwe banen over zijn borst. Mijn vriend kwam hijgend naast mij op de bank zitten, strooide poedersuiker over een krentenoliebol en vroeg of ik goed had begrepen wat een aerodynamische houding is. De skischansspringer liet het bankje los en vloog uit. ‘Die heeft ook niet genoeg snelheid,’ zei mijn vriend zonder te kijken.

Reageer    Deel

Tjielp / @timveer

@timveer: Heftig dagje. Opa van m’n meisje overleden. Nu dus in België.

De kist stond open, ook al had ze eerder beweerd van niet. Ze wist dat ik er de pest aan heb om naar een lijk te kijken, dat had ik van te voren heel duidelijk gezegd. Ik probeerde langs de kist heen te kijken en concentreerde me op een oneindig punt in de verte, net zoals ik weleens doe wanneer ik wagenziek ben. Maar uiteindelijk keek ik toch. Haar opa lag erbij zoals alle doden erbij liggen; zijn handen statig voor zijn borst gevouwen en met zo’n schijnheilige grijns op zijn gezicht. ‘Dat is hem nou,’ zei mijn meisje, alsof ze opgelucht was dat ze ons eindelijk aan elkaar kon voorstellen. Toen ik niks zei fluisterde ze: ‘Vind je dat ik op hem lijk?’ Geschrokken keek ik haar aan en antwoordde dat het nogal vreemd was om haar met een dode man te vergelijken, waarom ze dat in godsnaam zou willen, maar toen ze bleef aandringen zei ik: ‘Jullie hebben dezelfde neus.’ Volgens mij was dat niet het juiste antwoord want ze bleef er maar over doorzeuren, zelfs toen we alweer buiten stonden en werden toegeknikt door de twee oude dames die net voor ons in de rij hadden gestaan terwijl ze discussieerden bij welke slager het biefstuk het lekkerst is. Ik herinnerde me weer de slager waar ik vroeger altijd met mijn opa kwam. Een man in een lange witte jas die met de platte kant van de vleesbijl de plakken biefstuk plat sloeg. Dat doffe geluid. Elke week stonden we op zaterdagochtend in die slagerij, als de zaak nog maar net open was. Voor de kleine cowboy, zei de slager wanneer hij me het plastic zakje met het koude vlees in mijn handen drukte. De hele weg naar huis hield ik het vlees stevig vast, bang om het te verliezen, en als we thuis waren dan was het biefstuk helemaal warm geworden, alsof ik de hand van mijn opa vasthield. Ik vroeg me af wat er van die slager was geworden.

Reageer    Deel

Tjielp.

Dames en heren! Vanaf vandaag start ik met een nieuw project op mijn website, Tjielp. Na jarenlang blogs over mijzelf te hebben geschreven raakte ik verveeld. Voornamelijk door mijzelf. Het werd dus tijd voor iets nieuws, of zogezegd: een ander perspectief. Daarom ben ik de komende tijd iemand anders. Of misschien verander ik wel in jou. Dat zit zo; toen ik voor de zoveelste keer door mijn timeline scrolde en al die onbekende stemmen voorbij zag komen, las ik dingen als: “Altijd als ik in Artis ben denk ik aan de miljoenen saaiste foto’s ooit die daar genomen worden / Na 1 week basisschool is zoon een radio geworden die nooit meer uit gaat / Ik ging tien keer heen en weer door de koopgoot / Op naar Oestgeest / Drinkt koffie bij benzinepomp langs A44 met amper klandizie.” Er bleef maar één vraag in mijn hoofd hangen: wie zijn die mensen? Op welke manier zeggen zij via hun tweets iets over de wereld? En vooral, welk verhaal schuilt er achter die korte manier van communiceren? Daarom schrijf ik vanaf nu elke week een fictief verhaal rondom een willekeurige tweet. Met Tjielp wil ik vertragen wat we hebben versneld.

Ter introductie onderstaand filmpje. Gemaakt door de getalenteerde Thijs van Vuure: bioloog, filosoof en muziekcomponist. Voor zijn project What is it Like to Be a Bird deed hij een studie naar het bewustzijn van vogels vanuit menselijk perspectief. Volgens Van Vuure hebben vogels een andere tijdsperceptie dan mensen: ze leven tien keer sneller.

Reageer    Deel

Het probleem met dagboeken.

Vanaf nu bespreek ik voor Cineville de boekverfilming; elke maand een Boek versus een Film. De aftrap is met Submarine.

Een ‘woord van de dag’ dat Oliver Tate in zijn logboek opschrijft is echolalie: zinledige herhaling van andermans woorden. Vervolgens schrijft hij: ‘Dierbaar logboek, het probleem met dagboeken is, denk ik, dat ze je dingen laten onthouden die je liever zou vergeten.’ Tijdens het kijken naar de verfilming van Submarine, de dagboekroman van Joe Dunthorne, bleven deze woorden in mijn hoofd echoën.

In dit tragikomische coming-of-age verhaal draait het om de vijftienjarige Oliver die zich niet alleen zorgen maakt om zijn eigen liefdesperikelen maar ook om het seksleven van zijn ouders. Terwijl hij zelf op het punt van ontmaagding staat controleert hij elke dag de stand van de lichtdimmer in de slaapkamer van zijn ouders; een teken of ze wel of geen seks hebben gehad. Wanneer zijn moeder er een verhouding op na blijkt te houden met hippiegoeroe en ‘Annica-meditatie’-aanhanger Graham besluit Oliver het huwelijk van zijn ouders te redden. Zoals wel meer pubers die voor onoverkomelijke problemen staan gesteld, overvalt hem soms het gevoel onder water te willen verdwijnen, tot het punt waar geen leven mogelijk is; op negen kilometer diepte in de oceaan waar ‘je lichaam als vanzelf implodeert’.

Lees verder.

Reageer    Deel

De opkomst valt een beetje tegen.

Aan de telefoon was gezegd dat ze mij van het station kwam halen, dus ik bleef maar een beetje naast de ingang hangen, met mijn kop in de wind. Het was de eerste echte herfstdag, dat kon je ruiken, en ergens vond ik de frisse lucht en zo wel lekker. Ik ging bovenop mijn zware weekendtas zitten die ik de hele tijd als een vertegenwoordiger achter me had aangesleept. Er zaten een stuk of vijftien van die boeken in, en ik had eerlijk gezegd geen idee of ik straks wat zou verkopen. ‘De opkomst valt een beetje tegen,’ zei de dame van de organisatie toen ik tien minuten later naast haar in de auto kroop. ‘Dat geeft niks,’ zei ik. Dat meende ik ook echt. Het kon me geen barst schelen hoeveel mensen er kwamen, als ze maar een beetje luísterden, want dat moest je vaak maar bezien. De bovenzaal van de bibliotheek was erg klein. De houten stoelen waren in een kring gezet, drie rijen achter elkaar, met een wit formulier op elke zitting. ‘Het is niet erg luxe,’ zei de dame. ‘Het doet me aan mijn basisschool denken,’ zei ik. Dat bedoelde ik op een goede manier. Eerst was er een praatje van een oudere heer die met schizofreniepatiënten had gewerkt. Hij had een lange witte baard en zijn herenpantalon tot op zijn middel opgetrokken. Terwijl hij de tekst van zijn kladblokje voorlas hield hij zijn pen in de hand en bleef soms even stil, alsof hij twijfelde om er nog iets bij te schrijven, maar sprak daarna weer door. Een dame in een groen shirt, een patiënt, liep rond en riep: ‘Vergeten jullie niet dat het om de dag van de psychische gezondheid gaat?’ Met z’n allen liepen we terug naar de kleine bovenzaal, en voor de eerste keer sinds tijden voelde ik me niet zenuwachtig, ergens had ik er wel zin in om een praatje over mijn boek te houden. Ik vertelde iets over fantasie en werkelijkheid; over dat het onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid niet alleen verdwijnt tijdens een psychose, maar net zo goed in een roman, dat fictie en hallucinaties bijna hetzelfde zijn. Ik las mijn lievelingsfragment voor. Vijf van de tien mensen kochten een boek, het wisselgeld mocht ik houden. Terug in Amsterdam sleepte ik de tas met boeken weer achter mij aan, maar iets lichter dan een paar uur daarvoor.

Reageer    Deel

Big Rip.

Gisteravond hoorde ik een sterrenkundige op televisie vertellen dat het ook mogelijk is dat het heelal steeds meer zal uitdijen, almaar sneller, zoals je ook een plastic elastiek uit elkaar trekt, tot er met de Big Rip niets meer van overblijft. Ik zag mijzelf op de bank zitten, met dat uitdijende heelal om mij heen, en de presentator riep: ‘Maar wat is het doel van dit onderzoek? Wat moeten wij ermee?’ De sterrenkundige bleef stil, dacht even na, en ik keek naar de hangende lantaarn die boven de straat door de wind bewoog en zojuist door de sterrenkundige met een supernova was vergeleken. Het doel was dat er geen doel was, maar wat moesten wij daarmee? Dat was natuurlijk de vraag. Ik dacht aan de zwerfster die ik aan het eind van de middag eindeloos door het park had zien lopen, met een dood konijn in haar armen, en hoe ze had gezegd ‘Hij is nog warm’. Ik trok mijn benen op, sloeg mijn armen eromheen, maakte mijzelf steeds kleiner, met om mij heen een veel te groot laken dat telkens van mijn schouders gleed. De presentator bleef tevergeefs doorvragen naar het doel van het onderzoek, tot er een antwoord op tafel kwam, maar ik weet niet eens meer wat het was. Ik keek het programma af, met mijn gedachten die net als nu uitwaaierden, tot er niets meer van overbleef.

Reageer    Deel

Tot honk vier.

Voor ‘Van boeken en mensen’ schreef ik een pastiche. Aan u om te raden welke auteur ik imiteerde.

Eerlijk gezegd weet ik niet meer precies wat de aanleiding voor die leugen was geweest. Ik bedoel, soms gebeuren de meest verschrikkelijke dingen en dan nog kan niemand je uitleggen wat daar nou precies de oorzaak van was. Het is altijd zo onbeduidend als de pest.
Maar goed, het was de woensdagmiddag voor Kerstmis, vlak voordat ik hierheen vluchtte en geen mens meer zou zien – maar op dat moment was ik te stom om dat te beseffen. We hadden net een waardeloze gymles gehad, een trefbalspel, en we liepen terug naar de kleedhokken om te douchen, toen Iris erover begon. ‘Jezus, hij kon gewoon zijn handen niet thuishouden,’ zei ze. ‘Zo opgewonden werd hij van me.’

Lees verder

Reageer    Deel

De tien geboden voor de schrijver.

Onderstaand de uitgebreide versie van het artikel dat op 16 september 2011 in NRC Boeken verscheen.

Onlangs plaatste Arjen Fortuin ‘De 10 geboden voor een criticus’ in het NRC. Een sympathiek gebaar, zeker omdat het meteen een duidelijk inzicht geeft in welke geboden stelselmatig worden overtreden. De afgelopen twee jaar heb ik kennis gemaakt met de literaire wereld terwijl ik werkte aan mijn debuutroman Zo gaan we niet met elkaar om. Gelukkig ontving ik mooie recensies en lovende reacties, en is mijn boek inmiddels aan een derde druk toe, maar opvallend was wel dat de recensenten die het Olympus van de literatuur bewaken hun deur angstvallig gesloten hielden.
Op zichzelf prima: ik respecteer de mensen die het kunnen weten omdat ze meer gelezen hebben dan u en ik. Toch heb ik in die twee jaar waarin ik mijn boek schreef met andere ogen gekeken naar die recensies: wie staan er aan de poort en hoe kijken zij naar literatuur? Heeft iemand die veel gelezen heeft per definitie een goede smaak? Vooral interessant wordt het wanneer de recensent zich in zijn kaarten laat kijken, wanneer hij het niet meer over het boek heeft maar over zichzelf.

Zo leest Arie Storm van Het Parool liever geen humoristisch romans – die hij ter plekke in de hoek plaatst van Wolkers, Kluun en Grunberg (de discrepanties daargelaten) en afserveert als anti-intellectuele en vederlichte literatuur – en houdt NRC-recensent Sebastiaan Kort van dromerige bescheiden jongens die zich in stilte aan de wereld onttrekken en niet van luidruchtige types die ‘hyperventilerend en schreeuwend’ op feesten rondbanjeren. Jeroen Vullings (Vrij Nederland) ergert zich eraan als Kluuns nieuwe roman de etalage domineert van de respectabele boekhandel waar hij ‘als puber Louis Couperus’ Verzamelde Werken verwierf’. Of hij twittert: ‘Vandaag uitgeverscatalogi doorgeploegd: veel geloof, veel plattelandsromans, menopauze, sport, mannen + vrouwen + seks, maar literatuur?’

Recensenten benadrukken blijkbaar maar al te graag waar zij voor stáán en wat hun zorgvuldig opgebouwde literaire imago’s zijn, desnoods ten koste van het te recenseren boek. Zo creëert Vullings een mooi plaatje van zichzelf: een jongen die op jonge leeftijd niet zomaar maar wat rondlummelde in coffeeshops en disco’s, maar liever met Couperus onder zijn snelbinders naar huis fietste om bij de open haard al dat moois tot zich te nemen. Literatuur is niet sexy, merkte collega-schrijver Ernest van der Kwast laatst al op; hij vergeleek het met korfbal. Ik denk: was het maar zo sexy als korfbal.

Er wordt veel geklaagd over het feit dat het zo slecht gaat met de boekenwereld, over de ontlezing en de sluiting van de boekwinkels. Maar in plaats van ons af te vragen waarom dit een feit is, blijft iedereen maar hangen in de vaderlijke stoel van traditie en goede smaak. In Hollands Maandblad schreef Hans Hogenkamp een interessant essay over ‘literaire smetvrees’: de angst voor het alledaagse in onze literatuur. Wat moet je nou met een lezer die alleen maar een goed verhaal wil, en het liefst dat ook nog een beetje aansluit bij zijn eigen wereld? Scheer je weg uit het land van de literatuur, nietsnutten! Daarom besluiten de boekenbijlages eerder om een drie pagina’s vullend stuk van A.F.Th. van der Heijdens boek Tonio of een uitvoerige bespreking van een historische zeventiende-eeuwse roman te plaatsen dan aandacht te besteden aan interviews met eigentijdse realistische schrijvers zoals Adam Levin, Henk van Straten, Keith Gessen, Maartje Wortel, Sacha Sperling of aan andere bijzondere literaire initiatieven van een nieuwe generatie schrijvers.

Op basis van bovenstaande bevindingen heb ik daarom als reactie op de tien geboden van een criticus ‘De 10 geboden voor een schrijver’ geformuleerd. Speciaal voor al die schrijvers die willen dat hun boek goed wordt ontvangen door de literaire kritiek, of voor alle schrijvers die daar lak aan hebben. Doe er uw voordeel mee.

De tien geboden voor de schrijver

1. Gij zult zich onttrekken aan de tijdsgeest. Serieuze fictie dient het alledaagse te overstijgen waarbij het nieuw ontworpen universum op respectabele afstand van de realiteit dient te staan. Beschrijf nooit op realistische wijze de kenmerken van onze nieuwe generatie – besluiteloos, narcistisch – maar plaats iemand in de hoofdrol die zich daaraan onttrekt. Vermijd reëel bestaande plaatsnamen zoals Heerhugowaard of Schagen maar spreek liever over een ‘middelgroot dorp aan de rand van een polder’. Grote schrijvers zijn reactionairen.

2. Gij zult niet humoristisch zijn. Literatuur is een serieuze zaak, laat de grappen liever over voor aan de borreltafel.

3. Gij zult geen gewone mensen beschrijven.  Interessante romanpersonages zijn nooit accountmanager, secretaresse of ict’er, maar eerder kunstenaar, musicus, wetenschapper of schrijver. Mocht u wel over een gewoon mens willen schrijven dan liever iemand uit de subcultuur, zoals een gereformeerde boerin uit Zeeland of een negerin uit de Bijlmer.

4. Gij zult niet in uw eigen stijl schrijven, maar de voorbeelden volgen van dode coryfeeën als Reve, Hermans en Mulisch, waarmee recensenten zijn grootgebracht en aan wie zij in hun recensies altijd zullen refereren. Ze zijn er gek op!

5. Gij zult archaïsch taalgebruik hanteren. In de Nederlandstalige literatuur bestaat een grote heimwee naar lang vervlogen tijden, en ook als jonge schrijver dient u zich daarom de taal van uw overleden voorouders eigen te maken. Gebruik liever geen woorden als ‘glassex’, ‘elleboogjesmacaroni’ of ‘MTV’ maar bedien u van termen als ‘schoenlapper’ of ‘perkament’.

6. Gij zult uw belezenheid etaleren. Toon als schrijver kennis van zaken door continu te verwijzen naar klassiekers uit de wereldliteratuur. Voornamelijk dode schrijvers zijn zeer geliefd. Vermijd verwijzingen naar televisieseries, stripboeken, films en popmuziek (zie ook ontrekken aan tijdsgeest).

7. Gij zult ontoegankelijk zijn. De asociale en onbegrijpelijke schrijver weet te vermijden dat hij wordt gebrandmerkt met scheldtermen als ‘Feelgood-literatuur’ of ‘Het Zwitserlezengevoel’. Intellectualiteit is een krachttoer, dus maak die stapel stenen richting de piramidetop zo hoog mogelijk. Daal niet de berg af richting de lezer, maar laat hem omhoog klauteren. Nooit andersom.

8. Gij zult geen Bildungsroman met traditionele Nederlandse kenmerken schrijven. Het ik-perspectief, een eventueel dorp / stad-vraagstuk, iemand die meer waarnemer is dan deelnemer en het totale ontbreken van een intellectuele component: voorspelbaar en saai. Blijf te allen tijde weg van een té Hollandse roman.

9. Gij zult uw romanpersonages laten optreden als een toonbeeld van goed gedrag, waarbij overmatig drinken, slechte schoolprestaties, besluiteloosheid en verveeld hedonisme uit den boze zijn.

10. Gij zult hermetisch schrijven. Volgens de poëtica van Harry Mulisch (Coryfee! Dode schrijver!) hangt alles met elkaar samen en is er geen ruimte voor uitweidingen die nergens naartoe leiden. Romanpersonages dienen doelgericht te werk te gaan en er is geen tijd voor twijfel, domme pech of het bewust niet uitwerken van bepaalde verhaallijnen. Betekenisloosheid heeft in de literatuur geen betekenis.

(Overigens, de titel van mijn tweede boek zal zijn Zieleroerselen van een voddenraper waarin een dromerige jongen op de Rottumerplaat verloren lompen vergaart en in stilte zijn grote liefde Elfride overdenkt.)

7 Reacties    Deel

Nooit van gehoord.

Al zeker een half uur had ik in die nomadentent staan voorlezen, in blokken van twee keer vijftien minuten, en het festivalpubliek had stoned of met idioot wijd open gesperde ogen zitten luisteren, dus toen we klaar waren wist ik niet hoe snel ik hem moest smeren. Ik liep terug naar de tafel waar ik de stapels boeken begon op te ruimen die ik daar aan het begin van de middag had neergelegd, en zoals te verwachten viel was er natuurlijk geen exemplaar verkocht. Ik koop zelf ook nooit boeken op een festival; de hele dag rond sjokken met zo’n zware rugzak, dat slaat nergens op. Ik stapelde alles in de kartonnen doos tot een oude man één van mijn boeken oppakte. Hij aaide liefkozend over de kaft. De man droeg een hoog opgehesen herenpantalon waarin hij zijn wollen trui had gepropt en had een lange baard. Een ouwe hippie. Om zijn middel droeg hij een leren buideltje, heel strak omgesnoerd, dat was een gek gezicht geweest. ‘Ben jij dé Renske Jonkman?’ vroeg hij en tikte met zijn vinger op het boek. Ik knikte, ergens wel gevleid dat ik eindelijk door iemand werd herkend, ook al was hij bijna tachtig. ‘Nooit van gehoord,’ zei hij en hij aaide weer over de kaft terwijl hij de flaptekst las. Met de stapel boeken in mijn handen bleef ik wachten tot hij klaar was, voor uren, leek het wel. ‘Interessant, interessant’ zei hij mompelend, ‘heel interessant.’ Daarna legde hij het boek weer bovenop de stapel. ‘Ik wil zelf ook een boek schrijven. Maar dan een écht ingewikkeld boek, begrijp je.’ Ik had honger, merkte ik, misschien moest ik wat gaan eten. Een kwartier later schoven we met alle andere schrijvers aan een lange tafel voor een vegetarische maaltijd, een curry met aubergine en oud brood, en de housemuziek speelde keihard op de achtergrond en al die festivalgangers slenterden doodmoe aan ons voorbij. Die ouwe hippie was natuurlijk nergens meer te bekennen.

Reageer    Deel

Schrijver interviewt personage.

Wat vraagt een schrijver als hij zijn eigen personage mag interviewen? Voor Folia Magazine ging ik het gedachte-experiment aan en interviewde mijn hoofdpersonage Hazel Friedland. Lees het interview hier.

Reageer    Deel

Ik heb hier niks mee te maken.

De titel van mijn eerste interview was Het gaat niet om mij. Achteraf gezien een omgekeerde waarschuwing aan mijzelf. Interviewers proberen te achterhalen waarom je iets hebt opgeschreven en dat moet je dan in slordig uitgesproken zinnen verklaren terwijl je het in je boek dus allemaal heel zorgvuldig hebt zitten uitschrijven. Andere uitspraken die ik van mijzelf teruglas waren: Ik wilde een vrouw van vlees en bloed en Ik doe soms maar wat, ik denk totaal niet na. Geen idee waarom ik dat had gezegd. Het geven van een interview is niets anders dan vermijden uit te spreken wat je werkelijk denkt om later op papier terug te lezen wat je niet wilde zeggen. Liever wilde ik mijn personages antwoord laten geven op de vragen. Ik heb hier niks mee te maken zou Hazel dan zeggen. Of: Ik ga jou niet vertellen wat ik denk. Recensenten proberen op hun beurt weer te achterhalen waar je de slordigheden hebt verborgen van iets wat schijnbaar zorgvuldig staat opgeschreven. Gedachtes van recensenten over de gedachtes in mijn boek waren: Het gaat in dit boek alleen om de duffe konijnen en Het zijn de mannen die in haar leven de dienst uitmaken.
(Oké, het wordt weer tijd om te gaan schrijven.)

1 Reactie    Deel

Roman

Lees meer.

Volg me op Twitter of Facebook.