Onderstaand de uitgebreide versie van het artikel dat op 16 september 2011 in NRC Boeken verscheen.
Onlangs plaatste Arjen Fortuin ‘De 10 geboden voor een criticus’ in het NRC. Een sympathiek gebaar, zeker omdat het meteen een duidelijk inzicht geeft in welke geboden stelselmatig worden overtreden. De afgelopen twee jaar heb ik kennis gemaakt met de literaire wereld terwijl ik werkte aan mijn debuutroman Zo gaan we niet met elkaar om. Gelukkig ontving ik mooie recensies en lovende reacties, en is mijn boek inmiddels aan een derde druk toe, maar opvallend was wel dat de recensenten die het Olympus van de literatuur bewaken hun deur angstvallig gesloten hielden.
Op zichzelf prima: ik respecteer de mensen die het kunnen weten omdat ze meer gelezen hebben dan u en ik. Toch heb ik in die twee jaar waarin ik mijn boek schreef met andere ogen gekeken naar die recensies: wie staan er aan de poort en hoe kijken zij naar literatuur? Heeft iemand die veel gelezen heeft per definitie een goede smaak? Vooral interessant wordt het wanneer de recensent zich in zijn kaarten laat kijken, wanneer hij het niet meer over het boek heeft maar over zichzelf.
Zo leest Arie Storm van Het Parool liever geen humoristisch romans – die hij ter plekke in de hoek plaatst van Wolkers, Kluun en Grunberg (de discrepanties daargelaten) en afserveert als anti-intellectuele en vederlichte literatuur – en houdt NRC-recensent Sebastiaan Kort van dromerige bescheiden jongens die zich in stilte aan de wereld onttrekken en niet van luidruchtige types die ‘hyperventilerend en schreeuwend’ op feesten rondbanjeren. Jeroen Vullings (Vrij Nederland) ergert zich eraan als Kluuns nieuwe roman de etalage domineert van de respectabele boekhandel waar hij ‘als puber Louis Couperus’ Verzamelde Werken verwierf’. Of hij twittert: ‘Vandaag uitgeverscatalogi doorgeploegd: veel geloof, veel plattelandsromans, menopauze, sport, mannen + vrouwen + seks, maar literatuur?’
Recensenten benadrukken blijkbaar maar al te graag waar zij voor stáán en wat hun zorgvuldig opgebouwde literaire imago’s zijn, desnoods ten koste van het te recenseren boek. Zo creëert Vullings een mooi plaatje van zichzelf: een jongen die op jonge leeftijd niet zomaar maar wat rondlummelde in coffeeshops en disco’s, maar liever met Couperus onder zijn snelbinders naar huis fietste om bij de open haard al dat moois tot zich te nemen. Literatuur is niet sexy, merkte collega-schrijver Ernest van der Kwast laatst al op; hij vergeleek het met korfbal. Ik denk: was het maar zo sexy als korfbal.
Er wordt veel geklaagd over het feit dat het zo slecht gaat met de boekenwereld, over de ontlezing en de sluiting van de boekwinkels. Maar in plaats van ons af te vragen waarom dit een feit is, blijft iedereen maar hangen in de vaderlijke stoel van traditie en goede smaak. In Hollands Maandblad schreef Hans Hogenkamp een interessant essay over ‘literaire smetvrees’: de angst voor het alledaagse in onze literatuur. Wat moet je nou met een lezer die alleen maar een goed verhaal wil, en het liefst dat ook nog een beetje aansluit bij zijn eigen wereld? Scheer je weg uit het land van de literatuur, nietsnutten! Daarom besluiten de boekenbijlages eerder om een drie pagina’s vullend stuk van A.F.Th. van der Heijdens boek Tonio of een uitvoerige bespreking van een historische zeventiende-eeuwse roman te plaatsen dan aandacht te besteden aan interviews met eigentijdse realistische schrijvers zoals Adam Levin, Henk van Straten, Keith Gessen, Maartje Wortel, Sacha Sperling of aan andere bijzondere literaire initiatieven van een nieuwe generatie schrijvers.
Op basis van bovenstaande bevindingen heb ik daarom als reactie op de tien geboden van een criticus ‘De 10 geboden voor een schrijver’ geformuleerd. Speciaal voor al die schrijvers die willen dat hun boek goed wordt ontvangen door de literaire kritiek, of voor alle schrijvers die daar lak aan hebben. Doe er uw voordeel mee.
De tien geboden voor de schrijver
1. Gij zult zich onttrekken aan de tijdsgeest. Serieuze fictie dient het alledaagse te overstijgen waarbij het nieuw ontworpen universum op respectabele afstand van de realiteit dient te staan. Beschrijf nooit op realistische wijze de kenmerken van onze nieuwe generatie – besluiteloos, narcistisch – maar plaats iemand in de hoofdrol die zich daaraan onttrekt. Vermijd reëel bestaande plaatsnamen zoals Heerhugowaard of Schagen maar spreek liever over een ‘middelgroot dorp aan de rand van een polder’. Grote schrijvers zijn reactionairen.
2. Gij zult niet humoristisch zijn. Literatuur is een serieuze zaak, laat de grappen liever over voor aan de borreltafel.
3. Gij zult geen gewone mensen beschrijven. Interessante romanpersonages zijn nooit accountmanager, secretaresse of ict’er, maar eerder kunstenaar, musicus, wetenschapper of schrijver. Mocht u wel over een gewoon mens willen schrijven dan liever iemand uit de subcultuur, zoals een gereformeerde boerin uit Zeeland of een negerin uit de Bijlmer.
4. Gij zult niet in uw eigen stijl schrijven, maar de voorbeelden volgen van dode coryfeeën als Reve, Hermans en Mulisch, waarmee recensenten zijn grootgebracht en aan wie zij in hun recensies altijd zullen refereren. Ze zijn er gek op!
5. Gij zult archaïsch taalgebruik hanteren. In de Nederlandstalige literatuur bestaat een grote heimwee naar lang vervlogen tijden, en ook als jonge schrijver dient u zich daarom de taal van uw overleden voorouders eigen te maken. Gebruik liever geen woorden als ‘glassex’, ‘elleboogjesmacaroni’ of ‘MTV’ maar bedien u van termen als ‘schoenlapper’ of ‘perkament’.
6. Gij zult uw belezenheid etaleren. Toon als schrijver kennis van zaken door continu te verwijzen naar klassiekers uit de wereldliteratuur. Voornamelijk dode schrijvers zijn zeer geliefd. Vermijd verwijzingen naar televisieseries, stripboeken, films en popmuziek (zie ook ontrekken aan tijdsgeest).
7. Gij zult ontoegankelijk zijn. De asociale en onbegrijpelijke schrijver weet te vermijden dat hij wordt gebrandmerkt met scheldtermen als ‘Feelgood-literatuur’ of ‘Het Zwitserlezengevoel’. Intellectualiteit is een krachttoer, dus maak die stapel stenen richting de piramidetop zo hoog mogelijk. Daal niet de berg af richting de lezer, maar laat hem omhoog klauteren. Nooit andersom.
8. Gij zult geen Bildungsroman met traditionele Nederlandse kenmerken schrijven. Het ik-perspectief, een eventueel dorp / stad-vraagstuk, iemand die meer waarnemer is dan deelnemer en het totale ontbreken van een intellectuele component: voorspelbaar en saai. Blijf te allen tijde weg van een té Hollandse roman.
9. Gij zult uw romanpersonages laten optreden als een toonbeeld van goed gedrag, waarbij overmatig drinken, slechte schoolprestaties, besluiteloosheid en verveeld hedonisme uit den boze zijn.
10. Gij zult hermetisch schrijven. Volgens de poëtica van Harry Mulisch (Coryfee! Dode schrijver!) hangt alles met elkaar samen en is er geen ruimte voor uitweidingen die nergens naartoe leiden. Romanpersonages dienen doelgericht te werk te gaan en er is geen tijd voor twijfel, domme pech of het bewust niet uitwerken van bepaalde verhaallijnen. Betekenisloosheid heeft in de literatuur geen betekenis.
(Overigens, de titel van mijn tweede boek zal zijn Zieleroerselen van een voddenraper waarin een dromerige jongen op de Rottumerplaat verloren lompen vergaart en in stilte zijn grote liefde Elfride overdenkt.)